Home

1. Benny Hinn
Aanklager Granel

2. Ouweneel
Aanklager Geelhoed

3. Rick Warren
Aanklager Geelhoed

4. TB Joshua
Aanklager vd Ven

5. Joseph Prince
Aanklager BttB

6. F. Ouweneel
  
Goedgelovig

7 Andrew Wommack
Aanklagers: Jos&Regina

Diversen:
- Alverzoening
   - Eeuwig?
   - Vagevuur?
   - Geloof?
- Bevrijdingspastoraat
   - Bevrijding
- Genezing
   - Ziek van het zoeken

- Handoplegging
- Homoseksualiteit
- Opwekkingsbundel
- Preterisme
- Vallen in de Geest
- Welvaartsevangelie
   - Welvaart in het OT
   - Zaaien en oogsten

- Henk Bakker
- David Pawson



  o n d e r z o c h t    e n    g e t o e t s t

   

Het unieke van de Gemeente

   door Jacques van der Bijl
  
Een Facebookstudie
   (wordt vervolgd)
                                         
Lees ook:  De dwaling van het preterisme - wat is het? J.v.d.Bijl ]



1. Het unieke van de Gemeente - inleiding
 
29 augustus 2017

DOEL: Ik hoop in een flink aantal bijdrages het belang te laten zien van de Nieuwtestamentische gemeente als een uniek project van God, onderscheiden maar niet gescheiden (!) van Israël. Het zien van deze unieke plek van de gemeente in het plan van God schept tevens ruimte om ook de unieke, eigen plek van Israël te zien. Mijn doel is dus geenszins om iets af te doen aan het belang van Israël, integendeel.
 
BELANGRIJKE OPMERKINGEN VOORAF
1. Als ik de termen “Israël”, “Israëlieten”, “Joden” gebruik, dan bedoel ik hiermee steeds het etnische Israël, dus de fysieke nakomelingen van Jakob/Israël. Ik heb tot hiertoe geen Schriftplaats gevonden waar “Israël” iets anders zou “moeten” betekenen. Ik zal het dus nooit hebben over de gemeente als een soort “geestelijk” Israël, of over christenen als “geestelijke” Israëlieten of Joden, omdat ik geloof dat de Schrift dat ook niet doet. Aan de lezers die gewend zijn de term “Israël” wel een andere inhoud te geven (bijvoorbeeld: Israël inclusief alle gelovige niet-Joden) vraag ik dus vriendelijk om de moeite te doen de term Israël in de door mij hierboven genoemde betekenis te lezen, nl. het etnische Israël. In de praktijk betekent dit natuurlijk: degenen die zich van die afstamming van Israël bewust zijn; en uiteraard bestaat er ook geen volmaakte etnische zuiverheid. Voor mij betekent dit ook een respect voor het (gehele) fysieke Israël (Jezus gelovend, godsdienstig of niet).

2. Ik zal de Schriftplaatsen die ik noem niet telkens helemaal uitschrijven, maar ik raad de lezers aan om ze wel op te zoeken en nauwkeurig te lezen in hun context. 

3. Ik sta uiteraard open voor kritische opmerkingen en vragen aan de hand van Gods Woord in de geest van Hand 17:11, maar bedenk wel dat het onmogelijk is alles tegelijk te noemen en dat veel van uw mogelijke vragen of opmerkingen waarschijnlijk in latere bijdragen aan de orde zullen komen.

DE TERM “GEMEENTE”
Het in het Grieks gebruikte woord is “ekklesia” wat zoveel betekent als uit-geroepen, bijeen-geroepen, vandaar: vergadering (gemeente, kerk). Hoe uniek de NT-gemeente ook moge zijn (hetgeen hopelijk zal blijken uit de komende bijdragen), de term op zichzelf is dat geenszins in het NT. Op 3 plaatsen in Hand 19 (verzen: 32, 39, 41) betekent “ekklesia” zoveel als volksvergadering of gemeenteraadsvergadering van de stad Efeze. Verder gebruikt Stephanus de term in zijn toespraak voor de Joodse Raad in Hand 7:38. Sprekend over Mozes zegt hij daar: “Dit is degene die in de vergadering (Gr. ekklesia) in de woestijn met de engel was, die tot hem sprak op de berg Sinaï…”. Hier gaat het duidelijk om de vergadering (ekklesia) van Israël in de woestijn. We leren hieruit dat de term ekklesia op zich geen eenduidige betekenis heeft en dat dus uit het verband zal moeten blijken om welke ekklesia het gaat: de vergadering van de volksmassa (Hand 19:32, 41) in Efeze, de vergadering van de gemeenteraad in de stad (Hand 19:39) of de vergadering (gemeente) van Israël of ... de christelijke vergadering (gemeente).

We kunnen dus onmogelijk stellen: ekklesia slaat in Hand 7:38 op Israël, dus slaat de term in de rest van het NT ook op Israël ! Behalve uit het voorgaande zal dit in het eerste vers waar het woord “ekklesia” voorkomt in het NT (Matt 16:18) ook al duidelijk blijken. Zoals altijd is de eerste plek waar een woord voorkomt belangrijk om de betekenis ervan te begrijpen. Het hele gedeelte Matt 16:13-20 is daarom belangrijk. De Heer Jezus zegt daar: “En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen”. De gemeente wordt hier door de Heer aangeduid als iets toekomstigs, terwijl Israël al tweeduizend jaar bestond. Ekklesia kan hier dus onmogelijk op Israël slaan. Maar daarover meer in een volgende bijdrage.


2. Het unieke van de Gemeente - Ik zál Mijn gemeente bouwen

Matt.16:18 - Zoals gezegd is deze eerste plaats waar de term “ekklesia” (gemeente) voorkomt van grote betekenis. Lees in dit verband het hele gedeelte van vs 14-20.

Allereerst is het van groot belang te zien dat het op deze plek in het evangelie van Matteüs al heel duidelijk is dat de massa van het Joodse volk, en vooral de leiders, Jezus als Messias hebben verworpen. In hoofdstuk 12 gingen de leiders van het volk zelfs zo ver de Heilige Geest te lasteren (Matt 12:31) door het werk van de Heilige Geest, zoals dat op een volkomen zuivere manier zichtbaar was in het werk van de Heer Jezus, toe te schrijven aan de duivel. Gelukkig was er nog een kleine groep discipelen die de Heer wel volgden. Ook zij hadden (met uitzondering van Petrus) nog niet echt begrepen wie Jezus was, maar het was toch al geweldig dat ze Hem gelijkstelden met Johannes de Doper, Elia of Jeremia, die toch tot de allergrootsten onder het Joodse volk behoorden. Petrus had, door openbaring van de Vader, wel werkelijk begrepen wie de Heer Jezus was. Hij beleed: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” De Heer geeft vervolgens aan dat Hij op mensen die dit belijden zijn gemeente zal gaan bouwen. De woorden van de Heer: “zal Ik mijn gemeente bouwen” zijn van grote betekenis. 

Allereerst staat het woordje “mijn” in het Grieks voorop en heeft dus alle nadruk. Israël had zijn “ekklesia” zoals we zagen in Hand 7:38, de heidenen hadden hun “ekklesia” zoals we zagen Hand 19, en het lijkt er sterk op of de Heer hier wil zeggen: nu Israël (als geheel) mij verworpen heeft, zal ik “mijn” eigen ekklesia (gemeente) gaan bouwen op al degenen die, net als Petrus, werkelijk hebben gezien wie Ik ben en die Mij willen volgen.

Het tweede van grote betekenis hier, is het feit dat de Heer Jezus spreekt in de toekomende tijd: “Ik ZAL mijn gemeente bouwen”. Die gemeente was toen dus nog toekomst. Zoals we DV later zullen zien ontstond ze pas op de Pinksterdag met de uitstorting van de Heilige Geest. Ook zullen we zien dat dit ook niet eerder kon gebeuren. 

Zoals al gezegd laat dit duidelijk zien dat we de gemeente niet gelijk kunnen stellen met Israël, want Israël bestond op dat moment al zo’n 2000 jaar. Terwijl de gemeente waarover de Heer sprak nog gebouwd moest worden.

Tot slot is het zeker niet zonder betekenis dat deze woorden van de Heer uitgesproken werden in Caesarea Philippi, een Romeinse stad helemaal in het noordoosten aan de grens van het land Israël, waarmee de Heer m.i. al wilde aangeven dat zijn gemeente zich ver buiten de grenzen van Israël zou uitbreiden.

Kortom, in deze eerste Schriftplaats waar van de NT-gemeente (ekklesia) sprake is, geeft de Heer Jezus al aan dat er iets nieuws zal ontstaan, nu Israël als geheel Hem verworpen heeft. Vele andere Schriftplaatsen zullen dit alleen nog maar bevestigen.


3. Het unieke van de Gemeente - Een ander volk

In een aantal artikelen probeer ik het unieke karakter te laten zien van de NT-gemeente. In de vorige bijdrage kwam Matt. 16:18 aan de orde, waar de Heer heel specifiek over “mijn” gemeente spreekt (in tegenstelling tot…) en aankondigt dat Hij die “zal” bouwen (toekomstige tijd) en wel op een fundament dat er daarvoor nog niet was. 

De tweede keer dat we het “ekklesia” tegenkomen in het NT is Matt. 18:15-20. Hier gaat het duidelijk om een nieuwe juridische autoriteit op aarde. Niet langer de Joodse Raad, maar de gemeente. Ook dat zou dus veranderen.

Maar laten we nu naar de gelijkenis gaan van de onrechtvaardige landlieden in Matt 21:33-46. Nadat deze landlieden de slaven mishandelden en doodden, die de heer van wijngaard zond om zijn vruchten te ontvangen, zond hij uiteindelijk zijn zoon, maar ook die doodden zij. Op de vraag van de Heer aan de overpriesters en schriftgeleerden: “…wat zal hij met deze landlieden doen ?” spreken zij vervolgens hun eigen oordeel uit. Vervolgens zegt Jezus tot hen: “Hebt u nooit gelezen in de Schriften: de steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen …” ? En voegt daaraan toe: “Daarom zeg ik u dat het koninkrijk van u zal worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.” (Matt 21:40-43). 

Uit het citaat van Ps 118:22 maakt de Heer al duidelijk dat Hijzelf de hoeksteen zou worden van “iets nieuws”. Maar de daarop volgende woorden zijn nog duidelijker: het koninkrijk zou van de leiders van het Joodse volk worden “weggenomen” en aan “een volk” gegeven dat de vruchten ervan opbrengt. Hier is duidelijk sprake van een “ander volk” dat in ieder geval van het volk Israël onderscheiden zal moeten worden. Het gaat hier om het koninkrijk, dat is niet hetzelfde als de gemeente. Het koninkrijk is het terrein op aarde waar de koning gezag heeft en waar aan zijn wetten en regels wordt gehoorzaamd. Dat was tot hiertoe Israël geweest, het enige land op aarde waar de enige, ware God werd gediend en het koninkrijk van God, zij het in grote zwakheid, gestalte kreeg. Maar de Heer kondigt hier aan dat dit zou veranderen. Het koninkrijk zou van hen worden weggenomen en aan een ander volk gegeven. Waarom ? Omdat het duidelijk was dat de Koning, die de God van Israël over dat koninkrijk wilde stellen, door hen verworpen was. Wie dat andere volk zou zijn aan wie de verantwoordelijkheid voor het koninkrijk van God zou worden gegeven, wordt hier nog niet expliciet vermeld, maar we kunnen het wel vermoeden en de rest van het NT zal dit ook heel duidelijk maken.


4. Het unieke van de Gemeente - Een lange tussentijd

Mattheüs 24 en 25
Na de rede over de laatste dingen in Matt 24 volgen 3 gelijkenissen waarin de Heer in bedekte termen aangeeft dat zijn terugkomst wel eens langer zou kunnen duren dan zijn discipelen dachten. Zie Matt 24:48 “Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mijn heer BLIJFT UIT en zijn medeslaven begint te slaan …” Matt 25:5 “Toen nu de bruidegom UITBLEEF…” Matt 25:19 “NA LANGE TIJD nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen”. 

In die tussentijd waarin de Heer/de Koning afwezig is, leven wij nu nog steeds al bijna 2000 jaar en heeft het koninkrijk dus een verborgen vorm. Het is overal daar op aarde waar discipelen de Heer Jezus (de afwezig Koning in de hemel) willen volgen en gehoorzamen in hun persoonlijk leven, maar ook daar waar zij verantwoordelijkheid hebben: in christelijke scholen, bedrijven enz… Het is de periode waarin Israël verstrooid werd (lo Ammi) en het koninkrijk aan een ander volk (de gemeente) gegeven werd. 

De hierboven aangehaalde bedekte termen van de Heer laten zien dat er inderdaad voldoende tussentijd zou zijn waarin de gemeente als volk van God de verantwoordelijkheid voor het koninkrijk op zich zou kunnen nemen (Matt 21:43). Maar we zien duidelijk in onze dagen dat deze tijd ten einde loopt nu Israël al bijna 70 jaar weer terug is in zijn land en Jeruzalem al 50 jaar in Joodse handen is. God keert in onze dagen terug naar Jeruzalem. 

De tijden van de volken lijken nu snel tot hun einde te komen (Luk 21:24). Daarover wil ik nu niet uitweiden. Ik wilde alleen erop wijzen dat er inderdaad een ruime tussentijd was, waarin Israël als volk niet openlijk door God erkend werd (het volk was evenwel nooit uit zijn hart!), en waarin de gemeente de verantwoordelijkheid had voor het koninkrijk, een tijd die dus nu snel ten einde loopt. Er was dus tijd voor iets nieuws en dat had de Heer al in bedekte termen aangegeven. Maar daarover zou Hij met name in Joh 10 nog veel duidelijker spreken. Daarover DV in de volgende bijdrage.


5. Het unieke van de Gemeente - Een nieuwe tijd

Johannes 10
Als we iets lezen in een bepaald evangelie, is het belangrijk het karakter van dat evangelie in het oog te houden. Eén van de dingen die opvallen in Johannes is het feit dat hij vanaf het allereerste begin van zijn evangelie duidelijk maakt dat zijn volk Israël Hem verwierp. “Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen” (1:11).

Verder is het altijd belangrijk om een Bijbelgedeelte in de context te lezen, en dat is zeker ook hier het geval. Bedenk daarbij ook altijd dat de verdeling in hoofdstukken en de opschriften boven perikopen (hoe praktisch ook soms) niet in de oorspronkelijke tekst staan. Hoofdstuk 10 sluit dus direct aan op hoofdstuk 9, de geschiedenis van de blindgeborene. Deze man wordt uiteindelijk uit de synagoge geworpen (9:34) omdat hij een goed getuigenis gaf over Jezus. En juist “daar” ontmoet hij de Heer Jezus (9:35) en valt aanbiddend voor Hem neer (9:38). 

Dan zegt de Heer dat de Farizeeën de eigenlijke “blinden” zijn, juist omdat ze dachten te “zien” en dus meenden Hem niet nodig te hebben. Direct daarop zegt de Heer dat Hij als de ware herder door de deur de stal van de schapen (Israël) is binnengegaan. Hij beantwoordde in alles aan de aankondigingen van de OT-profeten, in tegenstelling tot de Farizeeën tegen wie Hij sprak en die dieven en rovers waren. 

Wat vervolgens in 10:3b,4 staat is bijzonder: “…hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.” De blindgeborene was één van zijn eigen schapen die Hij bij name had geroepen. Hij was weliswaar uit de synagoge “gegooid” door de Farizeeën, maar de Heer stelt het “zo” voor dat dit precies ook beantwoordde aan het plan dat Hij had met deze man (en vele anderen die zouden volgen), namelijk om hem uit de “stal van Israël” (de synagoge) te leiden. Vers 4 vervolgt met: “Wanneer hij al zijn eigen schapen heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit en de schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen.”

Vervolgens stelt de Heer zich opnieuw voor als “de deur” (vs 8,9) maar ditmaal niet van de stal (Israël), maar van de schapen. Het beeld is een beetje merkwaardig en doet me denken aan een reclame die ik wel eens zag van een deur midden in een weiland. Van een nieuwe stal is geen sprake, maar het is wel van groot belang om voortdurend door Hem in en uit te gaan om zo (grazige) weide te vinden. Vervolgens stelt de Heer zich voor als de “goede” herder die zijn leven zal afleggen voor de schapen. 

En dan zegt Hij in vers 16: “En Ik heb nog andere schapen die niet van deze stal zijn, ook die moet ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen, en zij zullen één kudde, één herder worden.” Het lijkt heel duidelijk wat die andere schapen zijn die “niet van deze stal zijn”. De stal is m.i. duidelijk Israël maar de Heer zou er ook velen toevoegen die niet tot Israël behoorden maar tot de volken. Samen zouden ze die nieuwe, éne kudde gaan vormen, waarvan Hij de ene Herder zou zijn. Let ook hier weer, net als in Matt 16:18, op de toekomende tijd. 

Vaak wordt het zo voorgesteld dat de Heer schapen van buiten Israël bij de stal van Israël zou gaan voegen, zoals in het OT ook mensen van buiten het volk bij Israël gevoegd konden worden (denk aan Rachab, Ruth…), maar als we dit hoofdstuk nauwkeurig lezen in de context, dan zien we dat de Heer het duidelijk anders voorstelt. Gelovigen uit Israël (zijn eigen schapen) en gelovigen uit de volken (de andere schapen) zouden samen iets nieuws gaan vormen. Daarover vertelt het NT ons nog veel en veel meer, maar daarvoor zullen we vooral op de brieven van Paulus moeten wachten.


6. Het unieke van de Gemeente - Verstrooide kinderen

Johannes 11:47-52
Zoals we in Joh 10 hebben gezien, dat de Heer Jezus “zijn eigen schapen” uit de stal (Israël) uitleidt, daar schapen uit de volken bijvoegt, zodat het iets nieuws wordt: één kudde, één herder, zo zien we ook in dit daarop volgende hoofdstuk een nieuwe gemeenschap opdoemen. En dat juist daar waar de overpriesters en de Farizeeën (de verantwoordelijken van het volk) beraadslagen om Jezus te doden (vs 53). De politieke uitspraak van hogepriester Kajafas (“het is beter dat één mens sterft voor het volk…”) blijkt een diepe profetische lading te hebben volgens de geïnspireerde woorden van Johannes. Kajafas bleek te profeteren “dat Jezus zou sterven voor het volk; en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot één zou vergaderen”. 

Het eerste deel van deze bijzondere uitspraak, namelijk dat Jezus zou sterven voor het volk (Israël), is duidelijk. Als er spoedig een geweldige toekomst zal zijn voor een bekeerd en hersteld Israël in het land, dan zal dat zijn op grond van de dood van hun Messias, de lijdende Knecht van JHWH (Jes 53). Maar uit de woorden van Johannes blijkt dat er een tweede doel is van het sterven van Jezus, namelijk om “de verstrooide kinderen van God tot één te vergaderen”. Vanaf het begin van Jezus optreden waren er Jezusbelijdende Joden geweest. Alleen ze vormden niet een “organische eenheid”. De enige eenheid die bestond was die van het volk Israël, weliswaar een volk met goddelijke beloften en zegeningen, maar een etnisch volk dat niet alleen uit rechtvaardigen/wedergeborenen bestond maar ook uit goddelozen. Zo was het ook met de kinderen Gods in het OT, ze waren er “in” Israël, maar ze waren er even goed “buiten” Israël. Denk aan Melchisedek, Job, zijn vrienden, Jethro enz. 

Ze waren verstrooid en vormden geen organische eenheid. Dit is erg belangrijk. Een “eenheid” is meer dan een optelsom van individuele mensen, zoals een huis meer is dan een verzameling stenen. Maar aan dat verstrooid zijn van Gods kinderen zou, volgens deze profetische woorden, verandering komen. Let ook hier op de toekomende tijd, net als in Matt 16:18 en Joh 10:16. We zullen DV later zien waarop die tijd slaat, nl. op de verheerlijking van de Heer Jezus als Mens aan de rechterhand van God en de uitstorting van de Heilige Geest op aarde, beide essentiële waarheden van het christendom, nl. een Mens in de hemel en God (de Heilige Geest) op aarde (vgl de natuurlijke orde in Ps 115:16). Hier sluit Handelingen mooi bij aan.

Hand 1:6-8
De komst van de Heilige Geest wordt hier ook door de Heer aangekondigd in vers 8. En dit in antwoord op de vraag van de discipelen of Hij “in hun tijd” het koninkrijk voor Israël weer zal herstellen. Dat zal gebeuren, maar “het moment waarop” kan de Heer hun niet zeggen. Hij kondigt hen wel iets anders aan, namelijk dat God de Heilige Geest op aarde zou komen wonen. Hiervan zegt Paulus later: “Wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt” (1 Kor 12:13). Dat gebeurde voor het eerst op de Pinksterdag, de geboortedag van de NT-gemeente (ekklesia). 

Tijdens de tijd van de ballingschap van Israël, waarin God zijn verborgen weg met hen gaat, is er nu de NT gemeente, de woonplaats van God in de Geest, op aarde (Ef.2:20-22). Belangrijk is het ook nog op te merken dat het woord ekklesia (behalve de aankondiging van de Heer in Matteus) slechts voorkomt na de Pinksterdag. Bijzonder opmerkelijk is dat bij Lukas, die zowel het evangelie als de Handelingen schreef. Hij gebruikt ekklesia (gemeente) pas voor het eerst in Hand 5:11.


7. Het unieke van de Gemeente - Samenvatting H.1-6

Op dit moment is het wellicht goed om een korte samenvatting te geven van de belangrijkste Bijbelgedeelten die we “tot hiertoe” bestudeerd hebben (hoofdletters zijn uiteraard telkens van mij om de aandacht op bepaalde woorden te vestigen):

1. Matt 16:18 “op deze rots ZAL IK (Jezus) MIJN gemeente bouwen” let hier op “mijn” gemeente tegenover de gemeente “van Israël” (Hand 7:38) en de toekomende tijd “zal Ik”

2. Matt 21:43: “het koninkrijk van God ZAL VAN U worden weggenomen en aan EEN VOLK gegeven dat de vruchten ervan opbrengt”. Let ook hier op de toekomende tijd en vooral op het feit dat hier een (ander) VOLK genoemd wordt aan wie het koninkrijk zou worden toevertrouwd.

3. Matt 21:42; Ps 118:22 : “De steen die de bouwlieden hebben verworpen die is geworden tot een HOEKSTEEN” Hier wordt de Heer Jezus een HOEKSTEEN genoemd die kennelijk tot het fundament behoort van iets nieuws.

4. Joh 10:3,4,16: “Hij roept ZIJN EIGEN schapen bij name en leidt ze naar buiten. Wanneer hij al zijn EIGEN SCHAPEN heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit … Ik heb nog ANDERE schapen, die NIET van deze stal zijn; ook die moet ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen, en zij zullen ÉÉN KUDDE, ÉÉN HERDER worden”. Belangrijk is hier te zien hoe Jezus zijn EIGEN schapen onderscheidt van de massa, ze naar buiten leidt uit de stal en daar andere schapen van buiten de stal aan toevoegt zodat het EÉN KUDDE, ÉÉN HERDER wordt. Let ook hier op de toekomende tijd. De schapen van buiten de stal zijn hier duidelijk de volken.

5. Joh 11:52 : “Jezus zou sterven voor het volk; en NIET ALLEEN voor het volk, MAAR OOK opdat Hij de VERSTROOIDE KINDEREN VAN GOD TOT ÉÉN ZOU VERGADEREN.” Door de dood van de Heer Jezus zouden de VERSTROOIDE WARE KINDEREN VAN GOD (zowel in als buiten Israël) een nieuwe eenheid (van leven!) gaan vormen. Let ook hier op de toekomende tijd.

6. Hand 1:8; 1 Kor 12:13 “U zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt” ; “wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken…” Hier zien we hoe op de Pinksterdag door de komst van de Heilige Geest iets nieuws ontstond, het éne LICHAAM VAN CHRISTUS. 


8. Het unieke van de Gemeente - Een eigen volk

Vooraleer naar Paulus te gaan, lijkt het me goed nog aandacht te geven aan 2 andere Schriftplaatsen in het boek Handelingen.

Hand 2:40,41 “Met vele andere woorden betuigde en vermaande hij (Petrus) hen en zei: laat u behouden van dit verkeerde geslacht. Zij dan die zijn woord aannamen werden gedoopt…”

Deze verzen bevestigen wat we ook al herhaaldelijk hiervoor zagen, nl. dat, hoezeer de Jezusbelijdende Joden ook Jood bleven en de tempel/synagoge bleven bezoeken, zij toch afstand moesten nemen van de goddeloze massa van het volk dat de Messias verwierp. Hoe dat behouden/redden van dit verkeerde geslacht gebeurde, staat er direct achter: nl. door de doop. Door de doop kwamen de Jezusgelovige Joden op het nieuwe terrein van het koninkrijk van God.

Hand 15:13,14 “Jakobus zei: Mannen broeders, hoort naar mij. Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor zijn naam.”

Net als we al zagen in Matt 21:43 zien we hier duidelijk sprake van een volk (laos, am) onderscheiden van het volk Israël, want er wordt hier duidelijk gezegd dat het “uit de volken” (ethnoi, goyiem) is aangenomen voor zijn naam. Dat kan van Israël nooit gezegd worden.

Ook in Tit 2:13 (in een duidelijk niet-Joodse context) zien we hetzelfde: “Jezus Christus, die Zichzelf voor ons gegeven heeft opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een EIGEN VOLK reinigde, ijverig in goede werken.” Dat eigen volk is ook hier duidelijk NIET Israël maar een nieuw volk dat Hij zich door zijn sterven moest verwerven. Het woordje “eigen” slaat terug op Jezus Christus. Het is dus een volk dat Jezus zijn “eigen” volk noemt. 

Dat doet ons gelijk terugdenken aan Matt 16:18 waar de Heer Jezus zegt: “Op deze rots zal ik MIJN gemeente bouwen”. Dat woordje “mijn” staat in het Grieks voorop en heeft dus alle nadruk (oikodomèsoo mou tèn ekklesian, letterlijk: bouwen mijn de gemeente). Het is een “eigen” volk dat Hij voor Zichzelf gereinigd heeft, opdat het goede vruchten zou voortbrengen.

Zeker, het is een volk waarvan de Joodse apostelen het fundament vormden, en de Joodse Messias de hoeksteen, waarvan de eerste stenen ook allemaal Joden waren(!), maar dat betekent niet dat dit NT-volk niet onderscheiden dient te worden van het etnische volk Israël. Dat laatste is m.i. duidelijk het geval als we deze verzen onbevooroordeeld proberen te lezen.


9. Het unieke van de Gemeente - Efeze 2 en 3

Het wordt tijd om na te gaan denken over Ef 2 en 3. Samen met Rom 11 (de olijfboom) zijn dit “de” NT-Schriftgedeelten die volgens velen duidelijk moeten maken dat wij als NT-gelovigen in Jeshua/Jezus bij Israël zijn ingelijfd. Maar zeggen deze gedeeltes dat ook echt? Wat Rom 11 betreft heb ik al eens eerder gewezen op de problemen van de stelling dat de olijfboom “Israël” voorstelt. Volgens mij is de olijfboom de verbondsboom, de boom van de aartsvaderlijke zegeningen en zijn de natuurlijke takken Israël. Maar daar kom ik DV nog wel uitvoeriger op terug. 

Wat Ef 2 en 3 betreft is het meer dan ooit noodzakelijk om nauwgezet te lezen wat er staat in Ef 2:11 – 3:12.
In 3:11 spreekt Paulus over het “eeuwig voornemen” (letterlijk: voornemen der eeuwen of eeuwigheden; Gr prothesis ton aionoon) dat God zich heeft opgevat in Christus Jezus. Vlak daarvoor spreekt Paulus van de verborgenheid die “nu” is geopenbaard (aan hem) en hoe daardoor de veelvoudige wijsheid van God bekend is gemaakt aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door “de gemeente” (ekklesia). 

Het gaat dus om een uniek eeuwigheidsproject (duidelijk in verband met de gemeente), dat voordien “verborgen” was, maar dat “nu” aan Paulus was geopenbaard en dat de wijsheid van God openbaart aan de engelenmachten in de hemelse gewesten. Het is duidelijk dat dit niet kan slaan op Israël (dat 2000 jaar daarvoor al bestond) en ook niet op het feit dat gelovigen uit de volken toegevoegd werden aan Israël en/of meegenieten van de zegeningen van Israël. Want dat alles was in het OT al uitdrukkelijk bekend. 

Bijzonder is trouwens ook dat, als het om Israël (en het koninkrijk) gaat, er niet sprake is van een “eeuwig voornemen” maar van Gods raad “vanaf” de grondlegging van de wereld (Matt 13:35; 25:34). Vergelijk daarmee Ef 1:4 waar sprake is van een uitverkiezing “voor” de grondlegging van de wereld, ook al gaat het daar meer om een individuele uitverkiezing.

Ook in 3:4 is sprake van de verborgenheid van Christus die in andere geslachten de zonen van de mensen niet is bekend gemaakt zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten. 

Kortom: God had van alle eeuwigheid af een plan en dat plan betreft een bruid voor zijn Zoon, die het hemelse Hoofd zou zijn van zijn lichaam, de NT gemeente (Ef 1:22,23). Maar daarvoor moest Hij eerst voor haar in de dood gaan (Ef 5:22-27). Over dat geheimenis, dit wonderlijke plan, lezen we nog veel meer in Ef 2 en 3. Dit alles is in ieder geval reden genoeg voor Paulus om zijn knieën te buigen voor de Vader van onze Heer Jezus Christus en Hem te aanbidden (Ef 3:14-21).


10. Het unieke van de Gemeente - "Mede"-uitdrukkingen

Laten we nu stilstaan bij de bekende “mede” uitdrukkingen in Ef 2 en 3: 
Ef 2:19 …maar u bent “medeburgers” van de heiligen
Ef 3:6 … dat zij uit de volken “medeërfgenamen” zijn en “medeïngelijfden” en “mededeelgenoten” van de belofte in Christus Jezus door het evangelie.

“Medeburgers” in 2:19 staat in contrast met “vreemd aan het burgerschap van Israël” in Ef 2:12, wat de algemene toestand van de volken vroeger beschreef. Het is dus begrijpelijk dat men daaruit geconcludeerd heeft dat degenen die vroeger “vreemd waren aan het burgerschap van Israël” nu wel (letterlijk of geestelijk) “medeburgers” van Israël zijn geworden. Maar is dat ook echt wat Paulus hier wil zeggen?

Laten we eerst de vier “mede”-uitdrukkingen nader bekijken. Om ze beter te begrijpen moeten we ons m.i. twee vragen stellen: een “wie?”- en een “wat?”-vraag.

“Mede” houdt in de eerste plaats in: “mede … MET WIE?” en vervolgens “van, in of aan … WAT?”. Medeburgers VAN wat, medeërfgenamen VAN wat, medeïngelijfden IN wat en mededeelgenoten AAN wat? 

De allereerste vraag is dus: “MET WIE?” delen we dingen? Als ik van iemand zeg: “hij is een medeburger van Zutphen” bedoel ik te zeggen: “hij en ik zijn samen burgers van Zutphen”, en “met hem deel ik iets: namelijk: het (mede)burgerschap van Zutphen”. 

Hier, in dit gedeelte, gaat het dus om de vraag: wie zijn die “beiden” in Ef 2:14 “…die beiden ééngemaakt” en in Ef 2:18 “Want door Hem hebben wij beiden de toegang tot de Vader”? Het antwoord lijkt eenvoudig: volken/heidenen/niet-Joden en Joden. Toch lijkt me dit antwoord op zijn minst onnauwkeurig. Paulus schrijft zijn brief aan de “heiligen en getrouwen in Christus Jezus” (Ef 1:1), dus duidelijk aan de “gelovigen”. In hoofdstuk 2 en 3 heeft hij het ook telkens over “u” en soms over “ons” als hij zichzelf als Jood insluit. Ik denk dus dat we moeten zeggen dat het hier niet gaat om de volken in het algemeen, maar om de Jezus-gelovigen “in” of “uit” de volken aan wie hij schrijft. 
Dat is kennelijk de éne partij, zij die vanwege hun afkomst ver van God en de verbonden van de belofte met zijn volk Israël verwijderd waren (Ef 2:12). 

De andere partij lijkt, oppervlakkig gezien, “de Joden” of “Israël” te zijn. Zij waren degenen die, uiterlijk gezien althans, “dichtbij” waren (Ef 2:17). Maar voor een deel van het volk was dat helaas alleen maar “uiterlijk”, zij hadden geen veranderd hart. Het lijkt me heel duidelijk dat Paulus het hier dus ook bij deze partij heeft over de ware Jezusgelovigen onder het volk en niet over “de Joden” of “Israël” in het algemeen. 
Het gaat m.i. dus bij beide partijen om hen die “in Christus” zijn (Ef 2:13), en “door Hem” (Ef 2:18) in één Geest de toegang hebben tot de Vader. M.a.w. het gaat om Jezusgelovige Joden en Jezusgelovige niet-Joden. Deze laatste zouden, vanwege hun afkomst, kunnen denken dat ze toch altijd een soort “tweede-rangs” zouden blijven t.o.v. hun Joodse medegelovigen omdat ze vroeger niet tot Gods volk behoorden, maar Paulus heeft het goede nieuws voor hen, dat er nu, door het werk van Christus, geen enkel rangonderscheid meer is.

M.i. heeft Paulus het hier dus duidelijk over “gelovige” Joden en “gelovige” niet-Joden. Dat zijn de beide groepen die hier in het geding zijn.
Dit wat de belangrijke “MET WIE?”-vraag - en het antwoord daarop - betreft. Over de “van, in of aan WAT?”-vraag hoop ik het binnenkort te hebben.


11. Het unieke van de Gemeente - "Mede"... waarvan?

We komen nu toe aan de vragen: medeburgers van wat, medeërfgenamen van wat, medeïngelijfden in wat, mededeelgenoten aan wat?

Op twee van die vragen geeft Paulus zelf gedeeltelijk het antwoord. In Ef 2:19-22 zegt hij: “U bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus zelf de hoeksteen is, in wie het hele gebouw, goed samengevoegd opgroeit tot een heilige tempel, in wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in de Geest.”

Het antwoord op de eerste vraag is dus niet: medeburgers van Israël, maar medeburgers (Gr: sympolitai) van de heiligen. In deze context betekenen deze heiligen waarschijnlijk de Joodse Jezusgelovigen in Efeze (en elders). Gelijk voegt Paulus daar aan toe: “huisgenoten (Gr: oikeoi) van God”. Samen vormen zij de “stad” (Gr: polis) of het burgerschap (Gr: politeia Ef 2:12, politeuma Fil 3:20), respectievelijk het huis (Gr: oikos) van God. Samen vormen deze gelovigen uit beide groepen ook de éne tempel van God, de woonplaats van God in de Geest. Een geestelijke tempel waarin de Heilige Geest woont en waarin God aanbeden wordt.

De parallellen met Israël in het OT vallen hier natuurlijk direct op: 
- de stad van God: Jeruzalem, maar nu gaat het om een hemelse stad, het nieuwe Jeruzalem, de bruid van het Lam (Op 21:9v; vgl Hebr 11:10,16; 12:22; 13:14)
- het huis van God, maar nu niet de tempel in Jeruzalem, maar een geestelijk huis, een geestelijke tempel, de NT-gemeente van de levende God, de pilaar en grondslag van de waarheid (1 Kor 3:16; 1 Tim 3:15; vgl 2 Tim 2:20v; Hebr 3:6; 10:21; 1 Petr 2:5; 4:17)
- de sjechina (wolkkolom) uiterlijk teken van de tegenwoordigheid van God die neerdaalde op de tabernakel en de tempel, zoals de Heilige Geest neerdaalde (op de Pinksterdag) om in de NT-tempel (de gemeente) te wonen. Voor dat neerdalen en wonen van de Heilige Geest op aarde was het nodig dat de Heer Jezus eerst verheerlijkt moest worden als Mens aan Gods rechterhand (Joh 7:39 !).

Hoewel de parallellen met Israël overduidelijk zijn, is het eveneens duidelijk dat het in de NT-gemeente om iets nieuws gaat, iets wat in het OT nog niet bestond, en zelfs niet kon bestaan, omdat Jeshua nog niet gekomen was en nog niet gestorven, opgewekt en verheerlijkt was als Mens (zie nogmaals Joh 7:39). 

Natuurlijk kunnen de parallellen ons in verwarring brengen en doen denken dat het hier om een voortzetting van OT-Israël gaat. Maar dat is een misvatting. Beide spoorrails zijn parallel (en hebben veel gemeenschappelijk) en toch zijn ze duidelijk onderscheiden. Zo zeker als er continuïteit is, zo zeker is er ook discontinuïteit. Ook de volgende drie “mede”-uitdrukkingen uit Ef 2 en 3 zullen ons dat hopelijk duidelijk maken.


12. Het unieke van de Gemeente - medeërfgenamen waarvan?

Laten we nu naar de tweede “mede-uitdrukking” gaan in Ef 2 en 3. 

In Ef 3:6 zegt Paulus dat zij uit de volken medeërfgenamen zijn. Zoals we in bijdrage 10 zagen betekent dat: “mede met de Jezusgelovige Joden” (niet met heel Israël). De vraag is nu: waarvan? 

Het is duidelijk wat de erfenis van het volk Israël was in het OT (en zal zijn in de toekomst). In Joz 1:11 zegt Jozua tegen het volk: “…om te erven het land, hetwelk de HERE, uw God, ulieden geeft om te beërven” (SV). “…om voort te gaan, om het land te beërven, hetwelk de HERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft ?” (Joz 18:3) enz.

De erfenis voor het volk was duidelijk het land Kanaän. In het NT wordt heel vaak gesproken over het feit dat de NT-gelovigen “erfgenamen” zijn. Omdat zij kinderen van God zijn, zijn zij ook erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus (Rom 8:17). Maar nergens is daar sprake dat die erfenis het land Kanaän zou betreffen.

Petrus spreekt over een “onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis die in de hemelen is weggelegd voor u…” (1 Petr 1:4). Het is duidelijk dat het hier niet (alleen) gaat over het beloofde land Kanaän. Paulus roept ons op om de Vader te danken, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht (Kol 1:12). Ook hier gaat het duidelijk om iets anders, hogers, groters dan het aardse land en zijn aardse zegeningen. 

Om het kort samen te vatten zouden we kunnen zeggen dat het alles is waarvan de Heer Jezus eenmaal de grote Erfgenaam zal zijn, en wat Paulus in Ef 1:10 omschrijft als “alles wat in de hemelen en op de aarde is”. Het wonderlijke is dat hij in het vers daarop zegt dat wij in Hem ook erfgenamen zijn geworden en dat we daartoe zelfs “tevoren” bestemd zijn (zie ook Ef 1:4). Hierover valt natuurlijk nog heel veel te zeggen, maar voldoende lijkt het me op dit moment om het onderscheid te zien tussen de erfenis die is toegezegd aan het (etnische) Israël en de geweldige erfenis die God in zijn grote genade bestemd heeft voor hen die nu een levende verbintenis hebben met de Heer Jezus, doordat ze Hem kennen als hun Heiland en Redder. Genoeg reden om onze God daarvoor te prijzen en te aanbidden.


13. Het unieke van de Gemeente - mede-ingelijfden waarin?

We komen nu tot de derde “mede-uitdrukking” in Ef 2 en 3. 

Het Griekse woord voor mede-ingelijfden is “syssoma” van syn: met, mede en soma: lichaam. Dat betekent dus zoveel als: “zij die samen één lichaam vormen”. De uitdrukking behoort dus duidelijk tot de teksten die over de gemeente als het “lichaam van Christus” handelen. Samen met de Jezusgelovigen uit Israël maken de Jezusgelovigen uit de volken dus deel uit van het éne lichaam van Christus (Ef 4:4) waarvan ze elk afzonderlijk leden zijn. Zie Rom 12:4v; 1 Kor 12:12-27; Ef 1:23; Ef 2:16; Ef 4:4,12,16; Ef 5:23,30; Kol 1:18,24; Kol 2:19; Kol 3:15. 

Dat lichaam kan dus pas bestaan sinds het hoofd van dat lichaam, Jeshua, niet alleen op aarde gekomen, gestorven en opgewekt was, maar ook verheerlijkt was in de hemel aan de rechterhand van God (zie Ef 1:20-23). 

Die eenmaking met het verheerlijkte Hoofd in de hemel maakt de NT-gemeente trouwens tot een hemels volk, gezegend met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten (Ef 1:3). Dit in tegenstelling tot het etnische Israël, dat slechts aardse zegeningen beloofd kreeg (Lev 26:3-10). De hemelse zegeningen die Israël beloofd kreeg, waren de regens van de hemel (Deut 11:11; 28:12).

Het moge dus duidelijk zijn dat dit lichaam van Christus, eengemaakt met zijn verheerlijkte Hoofd in de hemel, niet Israël kan voorstellen, dat trouwens 2000 jaar eerder al bestond. De Bijbel zegt verder nergens dat de gelovigen uit de volken bij Israël zijn ingelijfd. De uitdrukking komt alleen voor in de berijming van Psalm 87 (vers 4): “God zal …. op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen, als in Isrel ingelijfd”, maar in de Bijbeltekst van Ps 87 is daarvan geen spoor te vinden. Sterker nog, Israël wordt in het OT nergens een “lichaam” genoemd, laat staan dat gelovigen uit de volken daarin ingelijfd zouden kunnen worden. 

Natuurlijk zullen velen denken aan de olijfboom van Rom 11. Maar de grote vraag is of Israël in deze metafoor wel de olijfboom voorstelt. M.i. is Israël hier de natuurlijke takken van “hun eigen” olijfboom, nl. de verbondsboom van de zegeningen en beloften gedaan aan Abraham (de wortel) maar daarover elders. 

Kortom, de Schrift geeft duidelijk aan uit Jezusgelovige Joden en niet-Joden samen iets nieuws vormen, namelijk het lichaam van Christus dat op de Pinksterdag door één Geest tot één lichaam werd gedoopt (1 Kor 12:13).


14. Het unieke van de Gemeente - mede-ingelijfden waarvan?

Dan komen we nu toe aan de vierde en laatste “mede-uitdrukking” in Ef 2 en 3. Net als bij de eerste geeft Paulus ons ook dit keer zelf aan “waarvan” de Jezusgelovige niet-Joden samen met de Jezusgelovige Joden mededeelgenoot zijn, namelijk van “de belofte in Christus Jezus door het evangelie” (Ef 3:6). 

Ook hier is er dus, net als bij de drie vorige uitdrukkingen, geen sprake van mededeelgenoten “van Israël”, alsof gelovigen uit de volken nu ineens deel zouden gaan uitmaken van Israël, of op dezelfde manier deel zouden hebben aan het etnische Israël als hun Joodse medegelovigen. 

En evenmin zijn er Bijbelteksten die suggereren dat zij een of ander “geestelijk” Israël zouden zijn. De uitdrukking “belofte in Christus Jezus” doet ons uiteraard direct denken aan de beloften gedaan aan Abraham, beloften waarvan zonder meer duidelijk is dat ook de niet-Joodse gelovigen daarin delen (Rom 4:11,16; Gal 3:7-9, 14,29; 4:28). 

Maar de “belofte in Christus Jezus door het evangelie” gaat daar toch nog duidelijk bovenuit. We zouden die m.i. het beste kunnen omschrijven als de belofte van de Heilige Geest en het eeuwige leven (zie bijv. Ef 1:13; 2 Tim 1:1; Tit 1:2; 1 Joh 2:25).
 
Maar het feit dat de NT gemeente zegeningen deelt met Israël, betekent niet dat beide identiek zijn. Man en vrouw delen bijvoorbeeld heel veel met elkaar, maar blijven toch onderscheiden. 

Samenvattend kunnen we zeggen dat Ef 2 en 3 inderdaad bij oppervlakkige lezing de indruk geeft, dat in contrast met het “vreemd zijn aan het burgerschap van Israël” (Ef 2:12), de gelovigen uit de volken nu wel door Christus medeburgers van Israël, medeërfgenamen van Israël, medeïngelijfden in Israël en mededeelgenoten van Israël zijn. Maar het is heel belangrijk te zien dat dit er nergens zo staat!

Nauwkeurige lezing laat m.i. duidelijk zien dat de gedachtengang van Paulus hier de volgende is: de volken hadden vroeger nergens recht op en waren vreemd aan alle zegeningen van Israël, maar nu, door Christus, hebben gelovigen uit de volken, samen met de Jezusgelovigen uit de Joden, deel aan iets heel nieuws, dat nog groter en heerlijker is, en wat hier omschreven wordt als: één nieuwe mens, het lichaam van Christus, het (nieuwe) huis van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en NT-profeten, een heilige tempel, een woonplaats van God in de Geest, die daarin sinds de Pinksterdag woning heeft gemaakt (1 Kor 3:16). Dat alles kan van het etnische Israël niet worden gezegd.


15. Het unieke van de Gemeente - De olijfboom van Rom 11

Wie het beeld dat Paulus hier schetst in Rom 11:16-24 op zich laat inwerken, krijgt de indruk dat het hier vooral gaat om een “plek van zegen” waar je deel van kunt uitmaken, maar die je nooit gegarandeerd is. Door ongeloof kun je die “plek van zegen” weer verliezen, en daarom moet je je nooit ergens op beroemen. 

Anderzijds is het, door een bijzondere genade van God, door geloof en bekering, toch weer mogelijk om die “plek van zegen” opnieuw in te nemen. Het bijzondere wat Paulus ons hier voorstelt is dat, wat Israël betreft, dit ook ZAL gebeuren. Heel (het etnische) Israël zal behouden worden (Rom 11:26).

De algemene indruk die het beeld van de olijfboom hier in Rom 11 op ons achterlaat, is dus niet die van”een land” waar je burger van bent of van kunt worden, of een volk waar je deel van uitmaakt of niet. Het burgerschap van een land verlies je niet zomaar en iemand die het niet bezit, krijgt het ook niet zomaar, zeker niet nadat hij al een keer verloren is, zoals voor sommige van de natuurlijke takken geldt. Deze algemene indruk helpt ons m.i. om te begrijpen wat de olijfboom ons hier voorstelt.

Wijdverbreid is de opvatting dat de olijfboom hier Israël voorstelt. Ik deel die opvatting niet (of: zie hem op zijn zachtst gezegd als onnauwkeurig), omdat in deze metafoor Israël ons al voorgesteld wordt door de “natuurlijke takken” van de olijfboom. 

Niemand hoeft dus bang te zijn dat Israël hier tekort komt, want wie naar een olijfboom kijkt, ziet praktisch alleen takken. Wat die natuurlijke takken betreft: de olijfboom wordt hier in vs 24 “hun eigen” olijfboom genoemd. Dat wil dus zeggen: de zegeningen van de olijfboom komen “van nature” hen toe. De woorden “hun eigen” lijken mij zinloos als zowel takken als de boom hetzelfde zouden voorstellen. Daarom denk ik dat, net als in de vergelijkbare metafoor van de wijnstok in Joh 15, boom en ranken/takken niet hetzelfde voorstellen. 

Als de olijfboom zelf ook Israël zou voorstellen, zitten we trouwens met een tweede probleem, namelijk: wordt dan het etnische Israël bedoelt (bestaande uit gelovige en ongelovige Joden) of alleen het gelovige deel van Israël? 

Beide antwoorden op deze vraag leveren probleem op. Wordt het etnische Israël bedoeld, dan zou dit betekenen dat de ongelovige natuurlijke takken die afgesneden worden, niet langer Israëlieten zouden zijn, wat duidelijk “wel” het geval is (zie bijv Rom 9:4 enz). Stellen we daarentegen dat de olijfboom slechts het “gelovige deel” van Israël voorstelt, dan kunnen we niet spreken van het “afhouwen” van natuurlijke takken, want dan hebben die ongelovige takken eenvoudig nooit tot de olijfboom behoort en kunnen er dus ook nooit afgehouwen worden. Vanaf het begin (Egypte) zijn er ongelovige Israëlieten geweest (Ez 20:8!), die wel uiterlijk bij het volk hoorden, maar niet door geloof er innerlijk deel van uitmaakten. 

Daarom geef ik er verreweg de voorkeur aan de olijfboom te zien als de boom van de aartsvaderlijke beloften en zegeningen (de verbondsboom), waarvan Abraham de wortel is, waarvan de Israëlieten de natuurlijke takken zijn (hun eigen olijfboom vs 24), en waarvan de gelovigen uit de volken nu de geënte wilde takken zijn. Zij delen immers nu in de zegen van Abraham (m.n. rechtvaardiging door geloof) samen met de Joodse gelovigen. Overigens bezitten ze als leden van de NT-gemeente nog zegeningen die daar ver bovenuit gaan, zoals Paulus ons m.n. in Efeze 1–3 voorstelt. De NT-gelovigen delen zegeningen met de OT-gelovigen, maar als deel uitmakend van de NT-gemeente, ontstaan op de Pinksterdag, blijft hun plaats wel uniek.

De gelovigen van de NT-gemeente zijn dus niet ingelijfd, noch ingeënt in Israël, want dat zou hun eigenlijk tot “Israëlieten” maken met alle consequenties vandien, maar zij delen wel in zegeningen (vergeving, rechtvaardiging) die oorspronkelijk aan gelovigen uit Israël zijn beloofd.






VRAGEN: 

MOETEN WE TOT JUDA OF ISRAEL BEHOREN OM VAN DE ZEGENINGEN VAN HET NIEUWE VERBOND TE KUNNEN GENIETEN?

Het is duidelijk uit Jer 31 en Hebr 8 dat het nieuwe verbond wordt gesloten met het huis van Juda en het huis van Israël. Zij zijn de officiële verbondspartners met wie in de (nabije) toekomst het nieuwe verbond formeel zal worden gesloten na de komst van Jeshua om zijn vrederijk op te richten. 

Maar het bloed van het nieuwe verbond is bijna 2000 jaar geleden al vergoten (Matt 26:28) en de apostelen noemen zich dienaars van het nieuwe verbond (2 Kor 3:6). Jezusgelovige Joden en niet-Joden, verenigd in de NT gemeente, mogen nu al weten dat ze door dat bloed zijn gered (Op 1:5), dat Christus door het geloof nu al in hun harten is geschreven (2 Kor 3:3) zodat ze brieven van Christus (behoren te) zijn en Hij nu al in hun harten woont (Ef 3:17). Bij het schrijven van dit vers in 2 Kor 3 heeft Paulus ongetwijfeld aan Jer 31 gedacht. Merkwaardig is daarbij dat hij het woord “Torah” door “Christus” vervangt. Kortom, gelovigen genieten nu al van de zegeningen van het nieuwe verbond doordat Hij die er de Middelaar van is nu al hun Heer en Redder is. 

Maar betekent dit nu ook dat zij verbondpartners zijn ? M.a.w. betekent dit nu dat ze dus tot Juda of Israël moeten behoren omdat ze van de zegeningen van het nieuwe verbond genieten ? Het antwoord hierop is m.i. duidelijk NEE. 

Een voorbeeld mag dit verduidelijken. Wij logeerden de afgelopen dagen bij de schoonouders van onze dochter. We genoten daar van onderdak, beschutting tegen het weer, een heerlijk bed, stromend water enz. kortom van alle zegeningen die een goed huis bieden. We hielden ons uiteraard ook aan de regels van het huis. Maar betekent dit nu dat onze identiteit en onze naam veranderden ? Betekent dit dat wij verder ook maar iets met het officiële koopcontract van het huis te maken hebben ? Duidelijk niet: onze naam is bij de notaris, in de koopacte en bij officiële gemeente instanties totaal onbekend. En toch genoten we van al die zegeningen. Welnu, zo is het ook met het nieuwe verbond. Het zal formeel worden gesloten met een bekeerd en hersteld Israël maar wij genieten nu al van al de zegeningen van dat verbond hoewel we geen verbondspartners zijn.

Zo kunnen wij ook onder het dak van de nieuwe verbond zijn en de zegeningen daarvan genieten zonder dat dit verbond met ons gesloten is. 

Laten we Israël haar unieke plaats laten, die God haar heeft toebedeeld. Laten we het voorrecht van de Jood (Israëliet) ons niet toe willen eigenen (Rom 3:1), maar die laten aan de nakomelingen van Jakob. De Bijbel noemt de NT-gemeente nergens een of ander geestelijk Israël, laten wij dat dan ook niet doen. Zeker, wij mogen als niet-Joden geestelijke kinderen van Abraham zijn, maar dat is niet hetzelfde. Zelfs al in het natuurlijke zijn niet alle kinderen van Abraham ook Israëlieten (Ismaël, de zonen van Ketura, Ezau) laat staan in het geestelijke. Niet-Joodse gelovigen zijn geen Israëlieten op wat voor manier ook bekeken. Ze zijn wel geestelijke kinderen van Abraham maar hun Joodse Jezus-gelovige broeders en zusters zijn zowel geestelijke als fysieke kinderen van Abraham. Laten we dat voorrecht bij hen laten.


VRAGEN: 

WIE IS DE WORTEL VAN DE OLIJFBOOM IN ROM 11?

Ik ga nu even uit van de opvatting van velen dat de olijfboom “Israël” voorstelt. Anderen geloven dat de olijfboom Jeshua voorstelt. Zelf geloof ik dat de natuurlijke takken “Israël” voorstellen en dat de olijfboom zelf de verbondsboom, de boom van de beloften en zegeningen voorstelt, gegeven aan Abraham. Zo wordt duidelijk dat de afgehouwen natuurlijke takken, hoewel zij Israëlieten blijven, verstoken raken van “hun eigen” zegeningen en beloften, hun eigen olijfboom dus. 

Maar laten we, zoals gezegd, nu even ervan uitgaan dat de olijfboom “Israël” voorstelt. Wie is dan de wortel ? 
Het antwoord dat ik vaak hoor is: Jeshua. Dit wordt dan gegrond op Op 5:5 “de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David, heeft overwonnen…” en 22:16 “Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster.” Verder is er Jes 11:1,10 en het citaat van Paulus van Jes 11:10 in Rom 15:12. Het Griekse woord is “ridza” wat “wortel” betekent, maar ook “wortelscheut”, iets wat uitschiet uit een boomstronk bijvoorbeeld. Het Hebreeuwse woord is “shoresh” wat wortel betekent. De LXX vertaalt shoresh in Rom 15:12 met ridza.

In alle genoemde Schriftplaatsen waar het woord “wortel” in verband wordt gebracht met Jeshua, valt op dat er steeds sprake is van de “wortel” VAN iemand, nl. de wortel van Isai of de wortel van David. Het woord staat dan nooit op zichzelf. Omdat Hij de wortel van David is, hoeft Hij natuurlijk niet noodzakelijk ook de wortel van de olijfboom van Rom 11 te zijn. Het gaat hier toch niet om hetzelfde.

Gezien de 2 betekenissen die het Gr “ridza” heeft is het nog niet zo eenvoudig vast te stellen wat de uitdrukking “wortel van David/Isai” nu eigenlijk betekent. Het zou kunnen betekenen “oorsprong” van David, de “Heer” van David, zoals in Matt 22:42-45 maar het zou ook kunnen betekenen de “nazaat” van David, de wortelscheut die voortkomt uit de afgehouwen tronk van Isai. Jeshua is natuurlijk beide. Voor zijn geboorte was Hij God, de Zoon, naast de Vader en de Heilige Geest, maar toen droeg Hij nog niet de naam Jeshua (zijn typisch menselijke naam: Matt 1:21) maar als Mens was Hij ook de grote Zoon, Nakomeling van David (wortelscheut). Beide betekenissen zijn dus eigenlijk tegelijk waar voor Hem en misschien kunnen we ze dus ook gewoon naast elkaar laten staan.

Toch lijkt het me, als we alle bovengenoemde Schriftplaatsen in hun context lezen, dat we er de voorkeur aan moeten geven om bij “wortel van David/Isai” te denken aan de grote Zoon, Nakomeling van David, niet aan de oorsprong/Schepper van David hoewel Hij dat natuurlijk wel was (zoals Hij dat van ieder mens en ieder schepsel is). 
Nu is het duidelijk dat, in die betekenis (wortelscheut) Hij nooit Degene kan zijn uit Wie Israël voortkomt. Hij is dan juist de Zoon, de Nakomeling van Israël/Jakob en David, die pas 1000 jaar na David op aarde verscheen.

Er blijft wat betreft de “wortel van de olijfboom” dus alleen te denken aan de oorsprong/Schepper van Israël. Maar dan blijft het toch vreemd om Hem Jeshua te noemen, want die Naam kreeg Hij pas toen Hij mens werd.
Daarenboven wordt de term, hoewel waar en prachtig, dan wel heel vaag en algemeen. Hij is dan namelijk niet alleen de oorsprong van Israël maar van ieder schepsel (zie Joh 1:3; Kol 1:16) en ik betwijfel of het Paulus' bedoeling was om zich zo vaag en algemeen uit te drukken.

Verder, als we Bijbels correct willen spreken, is het JHWH, de HERE, de Drie-Ene God die de oorsprong is van het volk Israël. JHWH was het die Abraham riep (Jes 51:2). Natuurlijk, dat sluit de Zoon, die Jeshua zou heten bij zijn menswording, in, maar het is dus “niet alleen” Jeshua.

Om bovengenoemde redenen geef ik er verreweg de voorkeur aan om bij de wortel aan Abraham, de drager van de beloften, te denken. Ook al omdat, in analogie daarmee, Jesaja zegt in Jes 51:1,2 “Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde;..” 
Maar laat ieder het voor zichzelf overwegen.


VRAGEN: 

WAT BETEKENT "ALZO ZAL HEEL ISRAEL BEHOUDEN WORDEN" in Rom 11:26?

Sommigen lezen en begrijpen deze woorden als volgt: "door het ingaan van de volheid van de volken in Israël zal heel Israël behouden worden" en denken dat Israël hier betekent: het etnische Israël PLUS de volheid van de volken en dat de term Israël hier dus een veel ruimere betekenis heeft. Maar is dat hier echt de bedoeling?

Nu is inderdaad de normale betekenis van het woordje "alzo" (Gr houtos) "aldus, op die wijze, langs deze weg..." Maar houtos kan ook wel degelijk een temporele betekenis hebben. Dat is bijv. het geval in 1 Kor 11:28 "...zichzelf beproeven en DAN eten van het brood..." (NBG) Zo vertaalt NBV het woordje ook door "dan" in Rom 11:26. Maar het belangrijkste is dat de betekenis "dan" hier helemaal correspondeert met de context. In vers 7 spreekt Paulus over de verharding die over (het etnische) Israël is gekomen. Die verharding is én GEDEELTELIJK (er is immers een overblijfsel naar de verkiezing der genade vs 5,7) én TIJDELIJK, zij duurt tot op het herstel dat in Rom 11:25v beschreven wordt. 

Voordat de volheid van Israël zal aanbreken moet echter de volheid van de volken zijn ingegaan in de olijfboom van aartsvaderlijke beloften en zegeningen. Als dat is gebeurd zal heel Israël behouden worden. "Heel" Israël staat opvallend tegenover het "overblijfsel", de rest van vs 5. Als de Gemeente is ingezameld, breekt het volle herstel van Israël aan. Dan niet langer een gered overblijfsel tegenover een verharde meerderheid, maar "heel" Israël. 

Dit komt ook helemaal overeen met opmerkelijke beloften van God in Jes 45:25: "het gehele nakroost", en Jes 60:21 "uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan". De woorden die volgen in vs 26 laten ook duidelijk zien wanneer dat zal gebeuren, nl. als uit Sion de Redder zal komen. Het volle herstel voor HEEL Israël breekt aan als hun Verlosser verschijnt (Zach 12:10 - 13:1)


VRAGEN: 

IS DE "EKKLESIA" DE JOODSE GEMEENTE?

DE VERGETEN VERZEN VAN HANDELINGEN 19
Ik doel hierbij op de verzen 32,39,41 waar staat:
“Sommigen dan schreeuwden dit, anderen dat, want de EKKLESIA was in verwarring …” Hand 19:32
“Als u echter daarenboven nog iets verlangt, zal dat in de wettige EKKLESIA worden beslist” Hand 19:39
“En met deze woorden ontbond hij de EKKLESIA” Hand 19:41

Het Griekse woord EKKLESIA betekent: (bijeen)vergadering, bijeenroeping, gemeente.
3 keer wordt dat woord EKKLESIA gebruikt in Hand 19, in de verzen 32 en 41 kennelijk voor de volksvergadering in de stad Efeze en in vers 39 voor de officiële gemeenteraadsvergadering van diezelfde stad.

Wat is nu het belang hiervan? Welnu, deze verzen tonen aan dat het woord EKKLESIA een “algemeen” woord is, net zo als in het Nederlands ons woord “vergadering”. Dat woord kan duiden op een vergadering van gemeenteraadsleden, van oudsten, van supporters van een club enz.enz. De context zal telkens duidelijk moeten maken om welke EKKLESIA (vergadering/gemeente) het gaat. Dat is zo in ons gewone spraakgebruik, maar ook in het NT. 

M.i. hebben we 4 betekenissen van EKKLESIA in het NT. Naast de 2 bovengenoemde in Efeze hebben we in Hand 7:38 de “EKKLESIA in de woestijn” wat blijkens de context duidelijk slaat op het volk Israël in de woestijn. 

Maar in verreweg de meeste Schriftplaatsen in het NT waar het woord EKKLESIA gebruikt wordt, slaat het op wat de Heer Jezus in Matt 16:18 noemt “MIJN EKKLESIA” (met in het Grieks de nadruk op MIJN, waarschijnlijk om haar van alle andere ekklesia’s te onderscheiden), dus de gemeente van Jezus Christus, de NT gemeente bestaande uit alle Jezusgelovigen uit Israël en de volken. In al die gevallen maakt de context dat duidelijk. Jezus zegt overigens in Matt 16:18 dat Hij die ekklesia ZAL bouwen (toekomende tijd) en wel op het fundament van de apostelen en profeten (de NT profeten) en met Zichzelf als hoeksteen, de eerste en belangrijkste steen die men plaatst als men gaat bouwen. Die toekomende tijd vinden we overigens ook terug in Joh 10:16: “zij zullen één kudde, één herder worden”, en ook Hand 11:52 “tot één zou vergaderen”.

Dit alles is van belang, omdat telkens weer beweerd wordt dat het feit dat het hebreeuwse “kahal” (gemeente van Israël) in de LXX (de Griekse vertaling van het OT) vertaald wordt door EKKLESIA, plus het feit dat Hand 7:38 spreekt over de EKKLESIA in de woestijn, voldoende is om te stellen dat de NT gemeente gelijk is aan Israël. En telkens als men dit als bewijs aanhaalt, wordt nooit verwezen naar het driemaal herhaalde gebruik van het woord EKKLESIA in Handelingen 19. 

Ik denk dat ik dus echt niet te veel zeg als ik stel dat dit een ondeugdelijk bewijs is. De NT gemeente van Jezus Christus is niet Israël, maar iets compleet nieuws, waarvan Ef 3:5 zegt dat het een verborgenheid is die in de vorige geslachten NIET aan de zonen van de mensen is bekend gemaakt. Dat mensen uit de volken gevoegd konden worden bij Israël was in het OT al lang bekend.





MEER:

Facebook-studies over Preterisme:

Een artikel in CIP van Willem Ouweneel: Vond Jezus' wederkomst al in 70 plaats?...

Vervolg: Ouweneels reactie op Jeroen Koornstra: Noch Calvijn, Wright en Sproul hebben ooit beweerd dat Jezus in het jaar 70 is teruggekomen!...
   Vervolg-2: Reactie Jeroen Koornstra + slotreactie Willem Ouweneel...

Een Facebook-discussie over wat Preterisme feitelijk is...

Interessante (Engelse) discussie over het al dan niet vervuld zijn van de profetieën tussen Michael Brown en Don Preston (1:46:17)...

Het gevaar van de Kingdom Now (Koninkrijk Nu) leer (door Bert Panhuise)...


[ 1. Waar brengt het ons? | 2. Wat is het? J.v.d.Bijl | 3. Opnieuw verwoord door David Sorensen ]


Home | Granel.org | Hinn | Geelhoed | Ouweneel | Van der Ven | T.B.Joshua