Home

1. Benny Hinn
Aanklager Granel

2. Ouweneel
   Aanklager Geelhoed
   De spelbreker
   Meer geest
   Geen genezingen
   Jan Zijlstra
   Homoseksualiteit
   Vergadering.nu
   Hegger
   Derek Prince
   Aanklager R vd Ven
   Aanklager M.Visser
   Boekrecensie
   Lezingen
   Verdeeldheid
   Broederbeweging

3. Rick Warren
Aanklager Geelhoed

4. TB Joshua
Aanklager vd Ven

5. Joseph Prince
Aanklager BttB

6. F. Ouweneel
  
Goedgelovig

7 Andrew Wommack
Aanklagers: Jos&Regina

Diversen:
- Alverzoening
   - Eeuwig?
   - Vagevuur?
   - Geloof?
- Bevrijdingspastoraat
   - Bevrijding
- Genezing
   - Ziek van het zoeken

- Handoplegging
- Opwekkingsbundel
- Preterisme
- Vallen in de Geest
- Welvaartsevangelie
   - Welvaart in het OT
   - Zaaien en oogsten

- Henk Bakker
- David Pawson



  o n d e r z o c h t    e n    g e t o e t s t

   
Ouweneel - "Geneest de zieken!"
Geelhoed | Geen genezingen | Homoseksualiteit | Van der Ven | Nijburg | Verdeeldheid

Ellips (B&W) - 6 december 2003
(Themanummer over Geneeskunde)

DE DIENST VAN GENEZING
Boekrecensie door Prof. dr. Mart Jan Paul
Klik om het boek online te bestellen
De laatste jaren staat 'de dienst van genezing' weer in de belangstelling. Veel christenen hebben vragen over de gave van genezing, over ziekenzalving en over gebedsgenezers in binnen en buitenland. Prof.dr. W.J. Ouweneel heeft zich de afgelopen tijd intensief met deze onderwerpen bezig gehouden en het resultaat is een boek dat de titel Geneest de zieken! meekreeg.

Deze titel is een veelzeggende opdracht, waar weinig christenen raad mee weten. Men gaat op bezoek en bidt voor zieken, maar is het niet Gods vrijmacht om al of niet te genezen? Was de mogelijkheid en opdracht om zieken te genezen niet beperkt tot de tijd van de apostelen? De auteur onderzoekt die vragen en stelt dat de opdracht voor de christelijke gemeente nog steeds geldt. Daarbij geeft hij eerlijk toe in het verleden onjuiste denkbeelden gehad te hebben en herroept daarom diverse gedeelten uit zijn boek Het domein van de slang dat 25 jaar geleden verscheen.

Ouweneel stelt tal van eenzijdigheden en uitwassen aan de orde, zowel bij charismatische en evangelische als bij reformatorische christenen. Behalve allerlei theologische argumenten voert hij ook de praktijk aan. De werfkracht van de gevestigde kerken tot de wereldzending is tegenwoordig minimaal, terwijl de evangelicalen onder alle religieuze stromingen ter wereld de snelste groei doormaken. Daarbij spelen, vooral in de derde wereld, (genezings)wonderen en tekenen een wezenlijke rol. Elke dag komen tienduizenden tot het christelijk geloof en daarvan ervaart zo'n negentig procent de wonderen en tekenen van Mark. 16. Als recensent heb ik deze uitspraak aan een hervormde zendingsman voorgelegd en hij moest dit in grote lijnen toegeven. Zulke gegevens moeten ons tot bezinning brengen. Zijn we niet veel meer beïnvloed door het westerse, wetenschappelijke denken dat we vermoeden? Hoe kunnen we als christenen nog werfkracht hebben in onze maatschappij als we zoveel van de bijbelse toerusting achterwege laten?

De auteur behandelt wondergenezingen in de loop van de kerkgeschiedenis en gebruikt daarvoor voornamelijk publicaties van enige tientallen jaren geleden (Frost, Lovsky). Als aanvulling wil ik graag wijzen op het proefschrift van R.J.S. Barrett Lennard, Christian Healing after the New Testament: Some Approaches to Illness in the Second, Third and Fourth Centuries (Lanham: University Press of America 1994). Het is niet mijn bedoeling de reeds zeer uitgebreide literatuurlijst zomaar aan te vullen, maar in de afgelopen jaren heb ik gemerkt dat er veel beslissingen vallen in de weergave van de praktijk van de vroege kerk. En helaas laten de meeste bijbelcommentaren en dogmatische handboeken die gegevens weg. In de genoemde publicatie wordt (opnieuw) duidelijk dat de genezingswonderen in de genoemde eeuwen volop aanwezig waren, en niet alleen in 'zendingssituaties'. De wonderen van genezing en bevrijding hadden ook alles te maken met Gods ontferming over zieke mensen.

Ouweneel bespreekt veel bijbelgedeelten, o.a. de wondergaven (charismata) en de gave van genezing. Ook ziekenzalving en bevrijding van occulte belasting komen aan de orde. Uiteraard behandelt hij ook vragen naar de oorsprong van ziekten. Komt ziekte van God of van de satan? Hangt ziekte samen met zonde en ongeloof? Het antwoord op al die vragen is: meer dan eens. Maar de auteur verwerpt al te gemakkelijke verbindingen, zoals 'Deze ziekte komt door je ongehoorzaamheid', 'je bent niet genezen omdat je te weinig geloof hebt' of 'je moet leren berusten in wat je overkomt'. Zorgvuldig stippelt hij een weg uit tussen allerlei uitersten. Daarbij toont hij duidelijke voorkeur voor een genezingsbediening in de plaatselijke gemeente. Zolang die niet functioneert, kunnen landelijke campagnes aanvullende diensten bewijzen.

Ook de reikwijdte van de verzoening wordt besproken. De conclusie is, dat wie tot Christus komt, vergeving van zonde ontvangt, maar niet iedere (grote) gelovige ontvangt genezing. Niet alle resultaten van Christus' werk worden immers nu al volledig zichtbaar. Ook de grootste gelovige sterft ten slotte aan een falend lichaam. Omdat vanuit de Bijbel niet aangetoond kan worden dat God blijvend een ziekte geeft om gelovigen te beproeven, mag gestreden worden tegen ziekte. Maar de raadsels van Gods wegen blijven in allerlei praktijksituaties. De auteur kiest voor de opzet alle vragen zeer systematisch te onderzoeken en weer te geven. Dat geeft aan dit boek meer het karakter van een dogmatische verhandeling en naslagwerk dan een pastoraal geschrift.

De theoretische kant is sterker ontwikkeld dan de praktische en pastorale kant, in overeenstemming met de ondertitel die spreekt over 'de bijbelse leer'. Allerlei gegevens over het verschil tussen ziekte en lijden, en over 'de wil van God' komen aan de orde.

De auteur spreekt opvallend positief over Vragen rond de gebedgenezing, een rapport van de Hervormde Raad voor Kerk en Ziekenzorg uit 1959. Dit rapport, opgesteld na een periode waarin Zaiss, Osborn en anderen actief waren, verviel niet in reactie, maar heeft geprobeerd richting te wijzen. Als recensent kan ik alleen maar zeggen dat het te betreuren valt dat de Hervormde Kerk zelf niet meer met dit rapport gedaan heeft!

Bij hst. 9 rijst voor mij de vraag of de auteur niet te positief is ten opzichte van diverse hedendaagse genezers. Hij reikt drie criteria aan ter beoordeling: het leven en de leer van de genezingsbedienaar en de vruchten bij de mensen die genezen zijn. Echter, in de beoordeling van mensen uit het verleden worden méér criteria aangelegd: Augustinus voldoet aan het genoemde, maar toch wijst Ouweneel terecht diens gebruik van relikwieën af. Het lijkt me dat de methoden van genezingsbedienaars ook beoordeeld mogen worden. Ook geestelijke mensen kunnen 'vleselijk' handelen! Juist allerlei ontsporingen hebben de dienst der genezing veel schade toegebracht en het is te hopen dat dit niet opnieuw gebeurt. Over diverse van de genoemde 'genezers' vallen negatieve opmerkingen te maken ten aanzien van leer en leven. De terughoudendheid in beoordeling door dr. Ouweneel valt te begrijpen, maar hoe kunnen de lezers van dit boek enigszins tot een beoordeling komen? Verschillende van de genoemde genezers hebben gedwaald in leer en leven. Onlangs las ik het boek Faith, Health and Prosperity, een rapport van de Evangelische Alliantie in Engeland, geredigeerd door Andrew Perriman (Carlisle: IVP 2003). Daarin staat een zeer evenwichtige bespreking van de health and wealth boodschap, waarbij vertegenwoordigers van die richting geconsulteerd zijn en de beoordeling naast de positieve punten ook eerlijk allerlei zwakke en onbijbelse aspecten aangeeft. In de literatuurlijst staat ook het boek Gods Tegenwoordigheid geneest van L. Payne. Deze auteur werkt met een soort visualisatie. Graag had ik daar meer over gelezen. Hetzelfde geldt bij het advies van Victor Emenike: 'Blijf volharden in gebed voor genezing: bedank Jezus dat je genezen bent' (p. 377).

Zowel bij het claimen van genezing als bij het danken voor een genezing die nog niet aantoonbaar is, heb ik nogal wat vragen. Uiteraard is het gemakkelijk nog meer aanvullende vragen te bedenken over de theorie en over de praktijk, zoals over het omgaan met ouderdomsverschijnselen en handicaps en over de pastorale begeleiding van zieken met wie gebeden wordt. Maar niet alles behoeft in één publicatie te staan. Collega Ouweneel heeft een waardevol boek geschreven, waarmee hij de bezinning op een belangrijk en omstreden onderwerp duidelijk verder heeft gevoerd. Zelf heb ik de afgelopen jaren gepubliceerd over ziekenzalving, en nog niet eerder is een Nederlandse auteur hierop zo grondig ingegaan. Voor de lezers is het waardevol om van verschillende kanten een onderwerp belicht te krijgen, zeker als er discussies zijn in een gemeente over de vraag wat men van de dienst van genezing in praktijk zal brengen!

De ontwikkelingen gaan snel: nog maar vier jaar geleden bracht dezelfde uitgever het boek De belofte van genezing van Richard Mayhue op de markt. Ouweneel heeft vrij veel aanmerkingen op de inhoud ervan. Overigens gaat hij niet in op de bijdrage die Joni Eareckson Tada in datzelfde boek schreef: als zwaar gehandicapte vrouw heeft ze leren leven met haar handicap en weet ze dat God haar leven in zijn dienst gebruikt. Juist de pastorale praktijk leert dat allerlei christenen na een lange weg hun ziekte leren overgeven in Gods hand. Dit is heel iets anders dan een heidense of fatalistische berusting! Hoewel meestal 'lijden' in het Nieuwe Testament lijden om Christus' wil is, horen sommige vormen van lijden bij de gebrokenheid van deze wereld. De wetenschap dat God dit laat meewerken ten goede voor zijn kinderen (Rom. 8), kan veel krampachtigheid ten aanzien van de genezingsbediening wegnemen. In deze bedeling wordt nog niet het volledige heil ten aanzien van het lichaam gerealiseerd. Dit eschatologische voorbehoud klinkt meer dan eens in het boek, maar zou in de laatste paragraaf duidelijker gepresenteerd mogen zijn, om misverstanden te voorkomen.

Het boek Geneest de zieken! legt verantwoording af van de weg die de auteur zelf gegaan is. Ook met hem is gebeden om genezing en zelf heeft hij ook actief meegedaan met gebed voor zieken, o.a. aidspatiënten. Het is een boek geworden dat niemand zonder zelfinkeer terzijde kan leggen. Het wijst een richting voor de hedendaagse christenen van allerlei richtingen om veel te verwachten van de levende God, die niet alleen 20 eeuwen terug, maar ook in deze tijd onderwijst en wonderen doet.

Prof. dr. Mart Jan Paul


Klik om het boek online te bestellenOogst - november 2003

Geneest de zieken
Recensie door Pieter Siebesma

Het nieuwste boek van Willem J. Ouweneel is in meer dan één opzicht opmerkelijk. Hij bespreekt een controversieel onderwerp: ziekte en genezing in de Bijbel en de relevantie daarvan voor vandaag.

In meer dan 400 pagina's behandelt hij (nagenoeg) alle facetten van dit complexe onderwerp. Naast de bijbelse gegevens gaat hij in op de wondergenezingen in de kerkgeschiedenis, op de vragen waarom gelovigen wel of niet genezen worden, op de verhouding tussen ziekte en zonde en tussen ziekte en demonie, op ziekenzalving en op de wondergenezingen, zoals we die tegenkomen tijdens de campagnes van charismatische evangelisten.

Opmerkelijk
Opmerkelijk is echter vooral de positie die de auteur m.b.t. dit onderwerp inneemt. Hij neemt in dit boek openlijk afstand van het zogenaamde cessationisme (dat is de opvatting dat de bijzondere gaven van de Heilige Geest na de eerste eeuw zijn verdwenen), zoals hij die in oudere publicaties nog verdedigde. De titel van dit boek ‘Geneest de zieken’ (een citaat uit Matth.10:8) is een opdracht aan de gelovigen van alle tijden. De genadegaven (uit 1 Cor. 12), waarvan de gave van genezingen er een is, worden ook nu nog aan gelovigen gegeven. Maar de auteur vervalt niet in het andere uiterste, dat iedere ziekte genezen kan worden, en als dat niet gebeurt, dit aan het ongeloof (van de zieke of van degene die bidt) te wijten is.




Moedig
Daarom vind ik het moedig en positief van Willem Ouweneel, dat hij zo openlijk afstand neemt van zijn vroegere opvattingen in dezen. Niet iedereen zal hem dit in dank afnemen. Zelf heb ik zijn boek met genoegen gelezen. Hierbij viel het me op, dat hij zich (vanuit zijn achtergrond begrijpelijk) vooral richt tot diegenen, die moeite hebben met hedendaagse gebedsgenezing. Vandaar dat hij niet alleen uitvoerig op de vraag ingaat voor welke tijd de wondergaven waren, maar ook op bijvoorbeeld Zondag 10 (antwoord 27) van de Heidelbergse Catechismus, waarin wordt gesteld dat ons ziekte en gezondheid uit Gods hand toekomen. Deze passage (stammend uit een tijd waarin veel kindersterfte en oorlogen voorkwamen) kan inderdaad leiden tot een passief fatalisme en lijdzaamheid, maar dient m.i. wel uitgelegd te worden in het kader van de troost van Zondag 1.

Onderscheid
Zonder af te willen doen aan de waardering die ik heb voor dit boek, heb ik toch ook enkele punten van kritiek.
Ten eerste vraag ik me af of niet een duidelijk(er) onderscheid gemaakt moet worden tussen enerzijds evangelisatiecampagnes en anderzijds genezing zoals dat binnen een plaatselijke gemeente dient plaats te vinden. Grote campagnes zijn primair bedoeld voor ongelovigen om hen tot Christus te brengen en niet primair voor de zieken in de gemeente. Genezing is immers geen doel op zich, maar dient hier als ondersteuning en teken van de boodschap, dat Jezus alle macht in hemel en op aarde heeft. Maar binnen de gemeente dient de voorbede en zorg voor elkaar (al dan niet met ziekenzalving, Jak. 5) centraal te staan, hierin ligt in principe een taak voor ieder gemeentelid.

Moeite
Ten tweede heb ik enige moeite met hoofdstuk 9.4 en 9.5, waarin de auteur de fysieke verschijnselen behandelt, die genezers hebben, wanneer ze voor genezing bidden, zoals ‘elektrische stroom’ of ‘magnetische kracht’, of met het zogenaamde ‘vallen in de geest’. De voorbeelden, die hij hierbij aanhaalt, roepen vragen op. Bij William Branham (p.322), in wiens bediening deze verschijnselen zeer sterk aanwezig waren, mag je je terecht afvragen of deze verschijnselen uit God waren. Branham was immers aanhanger van het unitarisme en hij riep zichzelf uit tot een van de twee getuigen uit Openbaringen. Evenzo heb ik ook moeite met evangelisten als Benny Hinn of Rodney Howard-Browne die Ouweneel heel positief waardeert. Niet dat zij geen christen zijn, maar het is mijns inziens zeker geoorloofd kritiek op hun bediening te hebben.

Zwart-wit
Hierin ben ik heel wat kritischer dan de auteur, die stelt, dat we er voor moeten waken dienaren van God te bekritiseren, omdat hun genezingsbediening uitwendige kenmerken vertoont met bijvoorbeeld die van occulte geneeswijzen (p. 329). Vanuit de kerkgeschiedenis (cf. Jessie Penn-Lewis,War on the Saints) kunnen we leren dat werkingen van de Heilige Geest en de demonische machten van het occultisme heel wel kunnen samengaan en het daarom noodzakelijk is te blijven toetsen. Op één punt is het denken van br. Ouweneel onveranderd is gebleven: hij hanteert nog steeds heel sterk een zwart-wit schema, waarbij iets honderd procent goed of honderd procent fout moet zijn. Hij schiet daardoor nu te ver door naar de andere kant in een te weinig kritische opstelling t.a.v. allerlei uitingen.

Pieter Siebesma


Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour


Klik om het boek online te bestellen
 
Controleer... of deze dingen zo zijn:



- Klik hier en luister naar de toespraken van Prof. Dr. W.J. Ouweneel

Meer recensies...

 
 


Home | Granel.org | Hinn | Geelhoed | Ouweneel | Van der Ven | T.B.Joshua